Het gevaar loert
Op vrijdagavond bracht ik een kom met zelfgemaakte vidée (kippenroomsaus) naar mijn grootouders. Het was zeven uur ‘s avonds, dus ik verwachtte dat de pas aangelegde rolluiken omlaag zouden zijn. Van zodra ik de oprit opreed, ging er één omhoog. Ik mocht binnen.
Het nieuws was bezig, dus veel werd er niet gepraat. Wat later zei mijn grootmoeder toch: “Ik was de garage aan het kuisen en ik zie in de verte een man van deur tot deur gaan. Ik leg alles neer en ga de deuren op slot doen, ook die van het washok. Terwijl ik de garage terug aan het kuisen was, kwam hij af. Een man van rond de vijftig. Twee pakken wafels had hij vast, zogezegd om te verkopen.”
Toen ik haar vroeg voor welke vereniging hij verkocht, zei ze iets van een jeugdtrainer. Het maakte niet echt veel uit. Ze had er bang van gekregen. Dat merkte ik weer toen ik naar huis vertrok en op een gesloten deur stuitte. “Ah, ja,” zei mijn grootmoeder, “ik doe nu altijd de deur op slot. Je weet maar nooit.” Ik zei dat men nooit wist.
Terwijl ik wegreed, deed ze teken dat ik moest stoppen. “Bedankt voor de vidée!” zei ze, “nu moet ik morgen niet koken.”
